Wat een groot schip niet kan
Hoe groot grote schepen zijn, waarom ze niet snel uitwijken of stoppen, de padbreedte in een bocht, diepgang en laverende zeilschepen.
Klein Vaarbewijs 1 · Hoofdstuk 5
Wat een groot schip niet kan, waar de schipper je niet ziet, en wat zuiging en golven met je boot doen.
5 lessen30 vragen
Op rivieren en kanalen deel je het water met grote schepen: motorvrachtschepen, duwstellen en slepen. Ze zijn veel langer dan jouw boot, ze kunnen niet snel uitwijken of stoppen, en een stuk water vóór de boeg ziet de schipper niet. Naast een groot schip zakt het water en kun je naar het schip toe getrokken worden, en elk varend schip maakt golven.
In les 1 leer je wat een groot schip niet kan: hoe groot ze zijn, waarom ze niet snel uitwijken, hoeveel breedte ze in een bocht innemen, en wat diepgang en laveren betekenen. Daarna komen de dode hoek, zuiging en volgstroom, boeggolf, hekgolf en golfslag, en hoe je in de praktijk een groot schip ontmoet en oploopt.
Met KVB1 compleet open je alle lessen en de toetsen.
Verder met les 1 · € 10Hoe groot grote schepen zijn, waarom ze niet snel uitwijken of stoppen, de padbreedte in een bocht, diepgang en laverende zeilschepen.
Waar de schipper van een groot schip je niet ziet en waarom, wat de wet over het uitzicht zegt, het duwstel, en wat jij doet.
Wat zuiging naast een groot schip en dicht langs de oever met je boot doet, twee kleine boten naast elkaar, volgstroom en het kielzog.
De golven van een groot schip, je eigen hekgolf en de rompsnelheid, schade aan boten en oevers, de regel tegen hinderlijke waterbeweging en wat jij doet.
Wat je doet als een groot schip je oploopt of tegemoet komt, het blauwe bord in een bocht, zelf een groot schip oplopen, achter het hek langs oversteken en hoeveel ruimte je houdt.
12 vragen uit alle 5 lessen. Je beantwoordt eerst alles en ziet daarna je uitslag, met uitleg per vraag.